Reumatoïde artritis: enorme vooruitgang maar nog vele uitdagingen
Bij de oprichting van het FWRO in 1999 was de prognose voor heel wat patiënten met reumatoïde artritis helemaal niet rooskleurig.
Tien jaar later is er enorme vooruitgang geboekt. Belangrijke vraag blijft of de komende decade een doorbraak brengt in de definitieve genezing van deze ziekte.
Reumatoïde artritis (RA) is het prototype van een chronische vorm van ontstekingsreuma, die typisch een groot aantal gewrichten aantast: kleinere hand- en voetgewrichten, maar evenzeer alle grote gewrichten. Het natuurlijke ziekteverloop is zeer ernstig, met chronisch pijnlijke, stramme en gezwollen gewrichten, waarvan de normale anatomische structuur beetje bij beetje verloren gaat. Een decade geleden was de prognose voor heel wat RA-patiënten niet goed: voor patiënten bij wie een correcte diagnose al te laattijdig werd herkend, of patiënten die met de conventionele reumamedicijnen zoals methotrexaat onvoldoende geholpen waren. Tien jaar later is er enorme vooruitgang gemaakt, vooral op het vlak van vroegdiagnose en behandeling van methotrexaat-resistente patiënten.
OP ZOEK NAAR ANTI-CCP ANTISTOFFEN
Een doorbraak in de vroegdiagnose is het gebruik van een bloedtest die antistoffen opspoort tegen zogenaamde gecitrullineerde eiwitfragmentjes (anti-CCP antistoffen). De biochemie hiervan laten we even opzij. Veel belangrijker is het te weten dat deze test op een erg specifieke wijze aangeeft of de ziekte al dan niet aanwezig is. De test is bijzonder waardevol in gevallen waar de kliniek en de klassieke bloedtests wel een reumatisch gewrichtsprobleem laten vermoeden, maar onvoldoende zekerheid bieden omtrent de diagnose.
DOELGERICHT BEHANDELEN
De vooruitgang die gemaakt is in therapie, is revolutionair te noemen. Dat geldt trouwens voor heel wat reumatische ziektebeelden. In de biomedische wereld is de overgang gemaakt van weinig selectieve geneesmiddelen die een brede invloed uitoefenen bijvoorbeeld op het immuunstelsel, naar gesofisticeerde moleculen die op heel specifieke wijze de werking van een doelwit-eiwit belemmeren. Zulk een doelwit-eiwit is bijvoorbeeld het cytokine TNF. Dit betekent niet dat klassieke medicijnen zoals methotrexaat of cortisone-derivaten verdwenen zijn uit ons modern geneesmiddelen arsenaal. Zeker niet. Ze blijven een vaste waarde, en typisch wordt anti-TNF therapie bij patiënten met RA geassocieerd met een klassieke basistherapie zoals methotrexaat. Het gamma nieuwe therapieën breidt zich nog volop uit. Vandaag zijn er ook mogelijkheden om op een selectieve wijze de activiteit van interleukine-6 te remmen, of de werking van B-of T-lymfocyten te beïnvloeden.
DAS28
In het huidig landschap is het haalbaar om de lat een stuk hoger te leggen dan een decade geleden. Hiervoor diende ook een vernieuwde strategie te worden uitgedacht om patiënten met een chronische artritis zoals RA op een systematische en gestandaardiseerde wijze op volgen, en de ziekte-activiteit geregeld te meten. Het meetinstrument dat de reumatoloog daarvoor het best kan gebruiken is de DAS28 score (of voluit disease activity score met evaluatie van 28 gewrichten). Dit meetinstrument houdt rekening met het aantal gezwollen en drukpijnlijke gewrichten, ontstekingswaarden in bloedonderzoek (bezinkingssnelheid of CRP) en een evaluatie door de patiënt van zijn of haar ziektestatus. Hoe lager deze score over de tijd heen kan worden gehouden, hoe beter de lange-termijnvooruitzichten voor de patiënt met RA.
TEAMWORK
De steeds intensere manier van opvolging van patiënten met RA verplicht de reumatoloog om samen te werken met een team van gezondheidswerkers. Samen kunnen ze de uitdaging aan om – breder dan het strikt medische – te zorgen voor een optimaal herstel van levenskwaliteit, ten voordele van reumapatiënten en hun omgeving. In heel wat reuma-teams is ook een reumaverpleegkundige actief; zij is vaak een gemakkelijk aanspreekpunt en werkt complementair met de arts en de andere gezondheidswerkers.
NOG VELE UITDAGINGEN
De vooruitzichten voor een artritispatiënt zijn vandaag een stuk rooskleuriger dan 10 of 20 jaar geleden. Maar vele uitdagingen blijven nog bestaan. Niet elke patiënt reageert op eenzelfde manier op medicatie, zowel wat het aspect nevenwerkingen als wat effectiviteit betreft. De zorgverstrekker zou geholpen zijn indien er parameters bekend zouden zijn die voor een individuele patiënt hieromtrent voorspellend zouden zijn. Ook is een genezende therapie, die na een zekere tijd zou kunnen worden stopgezet, nog steeds niet beschikbaar. RA blijft voorlopig een chronische ziekte die een chronische therapie vereist.
Brengt de komende decade een doorbraak in de definitieve genezing van de ziekte? •