Pleidooi voor osteoartrose-management
Er is nood aan een management van osteoartrose.
Binnen dat management moeten we werken aan outcome measures die helpen bepalen hoe de patiënt scoort. Vooral de populatie met een hoog risico voor ziekteprogressie verdient aandacht. In die zin wint de identificatie van – vooral – genetische risicofactoren aan belang.
Dat zegt Prof. Frank Luyten (KULeuven). In de eerste plaats wijst hij erop dat het nog steeds ontbreekt aan een goede correlatie tussen enerzijds de symptomen van osteoartrose (OA) en anderzijds de radiologische evolutie. “Dat is iets waarnaar we blijven zoeken.”
GENETISCHE RISICOFACTOREN VOOR PROGRESSIE
De voorbije jaren is in ieder geval duidelijk geworden dat er onder de artrosepatiënten enerzijds progressors zijn en anderzijds non-progressors. Prof. Luyten: “Alleen kunnen we moeilijk voorspellen wie een verhoogd risico heeft voor progressie en wie niet.” Om die reden zijn wetenschappers op zoek gegaan naar methodes om de progressors te identificeren. “Zowel omgevingsfactoren als genetische factoren kunnen hier een rol spelen.” Vooral in de zoektocht naar genetische factoren is er volgens Frank Luyten de voorbije jaren vooruitgang geboekt. “Er is een toenemend aantal genen geïdentificeerd die duidelijk geassocieerd zijn met het ontstaan maar eveneens met de progressie van osteoartrose.” Frank Luyten refereert aan het groot Europese consortium dat eigenlijk een wereldconsortium is geworden (zie www.treatoa.eu). “Dit consortium, dat door de Europese Gemeenschap wordt ondersteund en waarvan ook België deel uitmaakt, analyseert een uitgebreide internationale patiëntendatabank op zoek naar de genetische basis voor de prevalentie van OA en de ziekteprogressie.”
De laatste twee, drie jaar is een aantal genen geïdentificeerd, onder meer GDF5, die duidelijk geassocieerd zijn met het voorkomen en de progressie van osteoartrose. “Dat moet toelaten om op termijn het individuele risico van een patiënt te bepalen.” Frank Luyten verwijst in deze context naar FRAX, dat werd ontwikkeld door de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) om het fractuurrisico in te schatten bij personen met osteoporose. “Wellicht beschikken we binnen enkele jaren eveneens over zo een pakket risicofactoren voor osteoartrose. En daar zullen zeker een aantal genetische factoren bij zijn die op een snelle en goedkope manier toelaten om bijvoorbeeld bij een patiënt met beginnende knieartrose in te schatten hoe groot zijn kans is op snelle progressie met nood aan een knieprothese binnen 10 jaar.” De behandeling kan dan worden aangepast in functie van deze risicoanalyse.
NOOD AAN MANAGEMENT
En dan komen we tot een tweede aspect dat voor artrose erg opvallend is”, aldus Prof. Luyten, “met name het feit dat een goed management van die patiëntenpopulatie vaak ontbreekt, zeker bij patiënten met ernstige artrose, die zowel qua pijn als qua functie belangrijke beperkingen ondervinden. Dat geldt niet alleen voor België. We stellen het wereldwijd vast.” Nog al te vaak leeft het idee dat artrose een aandoening is waarmee mensen moeten leren leven. “Er wordt weinig naar deze patiënten geluisterd. Nochtans is de impact op hun levenskwaliteit, zeker in de populatie van patiënten die progressor zijn, groter dan we denken. Ik denk dat het Fonds de komende jaren een bijdrage kan leveren in het steunen van initiatieven die het management van osteoartrose expliciteren.”
OUTCOME MEASURES
Meer en meer aandacht is er ook voor het klinisch onderzoek naar de factoren die de levenskwaliteit van mensen met osteoartrose beïnvloeden. Prof. luyten refereert in deze context aan de ICF-scores (International Classification of Functioning, Disability and Health) van de WGO, waarbij de patiënt wordt geëvalueerd op basis van zijn functionaliteit in het dagelijks leven, zijn recreationele activiteiten en zijn professioneel leven. “Al deze outcomes worden bestudeerd, geoptimaliseerd en nu ook gevalideerd. Deze outcome measures zijn belangrijk voor het management van de patiënten. Ze helpen ons te achterhalen hoe de patiënt het doet, hoe hij reageert op een behandeling. Zonder goede outcome measures, kun je dat niet.”
KRAAKBEENLAESIES: EERSTE MANIFESTATIE
Tot slot wijst Frank Luyten er nog op dat we osteoartrose tot op vandaag pas behandelen als de gewrichten pijnlijk zijn en als we belangrijke afwijkingen zien op gewone radiologie. “Maar dankzij de huidige beeldvormingsmogelijkheden (KST) kunnen we dat probleem veel vroeger zien ontstaan, gezien we ook beter de weke weefsels zoals kraakbeen, menisci, ligamenten kortom alle structuren van het gewricht kunnen visualiseren. Een groot deel van onze patiënten bij wie we kraakbeenherstel doen, zijn eigenlijk vroegtijdige artrosepatiënten die genetisch voorbeschikt zijn voor deze aandoening. We kunnen dat voor een deel corrigeren en het proces vertragen. Maar ook dat kan alleen in de context van een goed management.”
MEDICATIE
Op het vlak van de medicatie haalt Frank Luyten aan dat, ook dankzij de genetische studies, er een toenemend aantal targets worden geïdentificeerd. Dit alles leidt naar nieuwe klassen van behandelingen, zowel proteïnetherapieën als kleine molecules. Interessant is wel de evolutie in het gebied van de zogenaamde voedingssupplementen, waar door de betere karakterisatie en productiemethodes, substanties zoals glucosamine en chondroïtinesulfaat behoorlijke resultaten tonen in prospectieve multicentrische klinische studies. “Nu we de farmacologie beter begrijpen en naarmate de producten zuiverder worden, blijken de gegevens beloftevol te zijn. Deze middelen geven niet alleen aanleiding tot een verbetering van de symptomen maar blijken tot op zekere hoogte ook structurele effecten te hebben. Wat de klinische relevantie van dit alles is op lange termijn, valt nog af te wachten. Voordeel is wel dat ze geen bijwerkingen hebben.” •